De hoogbegaafde klimmer. Of: waarom spelen zo belangrijk is voor ons allemaal

© Jacob Lund – adobe.stock.com

Wat betekent spelen? Misschien heb je daarbij kinderen voor ogen die met krijt een cirkel op de stoep tekenen. Of je denkt misschien aan een paar kaartspelers die rond een tafel zitten. Het laatste dient alleen als tijdverdrijf … om de vrije tijd zo aangenaam mogelijk door te brengen. Of zit er meer achter? Natuurlijk zouden we deze vraag niet stellen, als dat niet zo zou zijn. Het maakt niet uit of kinderen of volwassenen spelen: er gebeurt veel meer dan je denkt.

Wat houdt spelen nu eigenlijk in?

Het karakteristieke aan het spel is dat er geen doel of opzet achter zit: het hoeft niet iets specifieks op te leveren. Door te spelen kun je binnen een afgebakende ruimte dingen ervaren, ontdek je iets of probeer je verschillende dingen uit. Daarbij neem je jezelf niet al te serieus. De filosoof Christoph Quarch definieert vier criteria voor het spel:

1. Spelen is altijd iets gezamenlijks, een samenspel. De verbondenheid met anderen is voor ons mensen heel belangrijk. Zelfs als een kind alleen speelt, heeft iets tegenover zich: in dat geval een pop of een blokkendoos.

2. Alleen iemand die speelt, is werkelijk vrij. Want het spel heeft altijd een onbekende afloop: of het nu gaat om zijn oorspronkelijke vorm, het cultische spel, het rollenspel van kinderen of bij een wedstrijd. Ook tijdens het creatieve scheppingsproces, dat het werk van spelenderwijs uitproberen is, weet de kunstenaar van tevoren niet wat het uiteindelijk zal opleveren. Hij geeft zich gewoon over aan het spel.

© Jacob Lund – adobe.stock.com

3. Daarmee zijn we bij het volgende criterium aanbeland: het uitproberen van nieuwe mogelijkheden dat je ook creativiteit zou kunnen noemen. Alleen wie kan loslaten en uitproberen, is in staat om iets creatiefs voort te brengen.

4. Elk spel geeft blijk van iets. Aan het einde van het cultische spel blijkt dat deelnemers een inzicht rijker zijn. Bij ‘mens-erger-je-niet’ blijkt hoe mijn medespelers reageren als er iets ergerlijks gebeurt. Of hoe goed ikzelf met frustraties omga.

Wij denken vaak dat alleen kinderen spelen of het recht hebben om te spelen. Het klopt dat kinderen, zolang ze niet leerplichtig zijn, minstens acht uur per dag moeten spelen. Maar wij hebben daarentegen ook de behoefte om te spelen en doen er goed aan om dat zoveel mogelijk te doen.

© kaliantye – adobe.stock.com

Het spel van kinderen

Maar eerst staan we stil bij de kinderen: zij zijn ware experts op het gebied van het spel, van wie we veel kunnen leren. Zij spelen vanuit een innerlijke drijfveer, niet omdat iemand heeft gezegd dat ze moeten spelen. Integendeel, zodra je een kind zegt dat het in een boom moet klimmen, is het geen spel meer.

Afhankelijk van de leeftijd spelen kinderen anders. André Frank Zimpel, hoogleraar aan de universiteit van Hamburg met als specialisatie ‘Leren en ontwikkeling’, onderscheidt zes spelfasen die op elkaar voortbouwen:

Het object- en sujetspel

Bij het objectspel maakt een baby zichzelf vertrouwd met zijn omgeving; de baby pakt alles vast en stopt het in zijn mond. De tweede fase, het sujetspel, wordt ook wel het alsof-spel genoemd. Daarbij nemen dingen uit de directe omgeving van het kind in zijn fantasie een heel andere vorm aan: de thermoskan wordt een onbedwingbare toren, de emmer met water verandert in een zee. In deze fase is het meestal zo dat zelfs kinderen die in dezelfde ruimte zitten, vaak helemaal niet met elkaar, meer eerder naast elkaar spelen. Omdat dit bij deze speelfase hoort, hoeven we ons hierover geen zorgen te maken.

Handspel

Zelfs het spelen met je eigen handen maakt gelukkig: als je je handen tegen elkaar wrijft, wordt in het brein de productie van serotonine gestimuleerd; je humeur wordt beter. Daarom zijn klapspelletjes voor kinderen zo goed.

© Irina Schmidt – adobe.stock.com

Rollenspel

Een andere belangrijk fase, waarin het kind pas naarmate het ouder wordt terechtkomt, is de fase waarin het rollenspel een belangrijke plek inneemt. Rond het vierde levensjaar begint deze fase. Dan worden kinderen zich bewust van zichzelf; daarvoor was hun eigen persoon een blinde vlek voor hen. Ze konden zich nog niet inbeelden, hoe ze door anderen worden waargenomen. Het rollenspel vormt een complexe interactie: de deelnemers spreken een onderwerp af, nemen een bepaalde rol aan en moeten hun gedrag daarop afstemmen. Er ontstaat een draaiboek. Rollenspellen bieden de mogelijkheid om in sociaal opzicht onderling verschillende strategieën uit te proberen: wil ik de rol van de boosdoener spelen, of ben ik liever de goedzak? Hoe reageert mijn vriendinnetje als ik me op die manier en niet op een andere manier gedraag? Daarnaast kan het rollenspel kinderen helpen om ervaringen uit het dagelijkse leven actief te verwerken.

Kunnen apen na-apen?

De kern van dit spel is het nadoen; kinderen doen niets liever dan iemand of iets nadoen. Mensen zijn de enige zoogdieren die dat goed kunnen. Apen zijn bijvoorbeeld helemaal niet goed in na-apen. Veel misverstanden tussen ouders en kinderen worden veroorzaakt doordat kinderen hun ouders nadoen. Vaak is het bijvoorbeeld zo dat kinderen niet meer loskomen van hun smartphone, omdat we als ouders zelf vaak alleen maar oog hadden voor onze smartphones.

Het regelspel

Rondom hun zesde levensjaar kunnen kinderen enthousiast worden gemaakt voor regelspelletjes, de meest complexe spelvorm. Daaronder vallen alle spellen waarbij sprake is van vaste regels, bijvoorbeeld strategische spellen als ‘monopoly’. Elastieken is een ander voorbeeld, want ook dat is gebaseerd op vaste regels. Bij beide spellen is het niet nodig om een rol aan te nemen. Maar ook lezen en schrijven zijn in principe regelspellen, net als wiskunde. Dat wat dit soort spellen nu zo leuk maakt, is het feit dat je samen plezier hebt, omdat je je aan de regels moet houden.

Het competitieve spel

Bij het competitieve spel, waartoe kinderen pas in de schoolgaande leeftijd in staat zijn, gaat het om het inschatten van je eigen vaardigheden. Daarbij draait het meestal om de vraag: “Waar ben ik goed in?” Kinderen meten zich dan aan medeleerlingen, vrienden en vriendinnen.

© Kinder beim Rennen – adobe.stock.com

Ernstspel

Het ernstspel dient als voorbereiding op het leven als volwassene: in deze fase proberen tieners en jongvolwassenen uit of het de volwassenen echt ernst is met hun regels, soms begaan ze strafbare feiten om dit te testen.

Bij alle spelvormen proberen kinderen er niet alleen achter te komen wat mogelijk is, maar ook wat minder goed werkt. Binnen de spelregels kunnen zij zich vrij voelen, dingen uitproberen, en hebben ze de mogelijkheid om hun potentie ten volle te ontplooien. Ze kunnen hun vaardigheden en bekwaamheden vervolmaken en zich spelenderwijs verder ontwikkelen.

Waarom is spelen zo belangrijk?

In het spel ontwikkelen kinderen niet alleen lichamelijke een geestelijke vaardigheden. Omdat ze daarbij vaak met anderen samenspelen, is het ook elke keer weer een ontmoeting waarbij ze hun sociale vaardigheden verder ontwikkelen. Enerzijds leren ze met elkaar en met nederlagen om te gaan, anderzijds leren ze dat ze niet meteen tegenover de ander moeten opscheppen als ze een keer hebben gewonnen (en de ander heeft verloren). Men heeft vastgesteld dat kinderen die vaak met elkaar spelen, meer geneigd zijn om te delen dan anderen die het zelden doen.

Archief van maatschappelijke waarden

Voor Theo Poppe, psycholoog aan de universiteit van Leipzig, zijn spellen een archief van maatschappelijke waarden. In het spel ‘Mens-erger-je-niet’ zit bijvoorbeeld de boodschap verborgen dat je een goede verliezer moet zijn. André Frank Zimpel, hoofd van het centrum voor neurodiversiteitsonderzoek in Hamburg, ziet dat echter niet als noodzaak. Tal van studies hebben aangetoond dat kinderen niet hoeven te worden opgevoed tot morele, deugdzame mensen; vanaf de geboorte hebben ze een moreel besef, helpen ze maar wat graag en hebben ze sympathie voor de zwakkere.

Spelen vergroot de levensvreugde, omdat bij elke overwonnen hindernis ons beloningscentrum wordt geactiveerd. Dat werk als volgt. In het brein is een incoherente toestand ontstaan: we begrijpen iets niet, kennen het niet of zijn nog niet tot iets in staat. We kunnen onze waarneming nog niet rangschikken. Zodra we ons daarmee gaan bezighouden, beginnen we te begrijpen en vinden we oplossingen. De irritatie maakt plaats voor een geluksgevoel – overdrachtsstoffen, die net zo werken als drugs, komen vrij: er stroomt een gevoel van vreugde en enthousiasme door ons heen. Bij kinderen gebeurt dat vaak, daarom vinden ze het zo leuk om in korte tijd zoveel te leren.

Het is wetenschappelijk aangetoond dat angsten verdwijnen als we op een speelse, ongedwongen manier met elkaar omgaan; druk en dwang verdwijnen als sneeuw voor de zon. We voelen ons vrij – en daardoor verdwijnt tegelijkertijd onze angst. Dr. André Frank Zimpel is van mening dat aanslagplegers bijvoorbeeld niet genoeg de kans hebben gehad om te spelen en te ravotten. Daarom zijn ze star in hun denkstructuren, hetgeen uiteindelijk tot dergelijke misdaden kan leiden.

© WavebreakMediaMicro – adobe.stock.com

Het lijkt erop dat in ons leven de vaardigheid om je impulsen te kunnen weerstaan, van doorslaggevende betekenis is. Je hebt vast wel eens gehoord van het experiment waarbij kinderen snoepjes kregen, samen met twee opties: 1. meteen opeten, 2. wachten en na de wachttijd de dubbele hoeveelheid snoepjes krijgen. Aan de hand van dit experiment kon worden voorspeld hoe succesvol en gelukkig deze kinderen later zouden worden. De kinderen die konden wachten, leidden als volwassene een tevredener leven. Als kinderen de impuls kunnen weerstaan om toe te tasten, leren ze dat inspanning loont.

Het kinderspel is er in principe voor om impulsen te weerstaan: doordat de kleuters zich bijvoorbeeld verbeelden dat een boze tovenaar de snoepjes heeft vergiftigd en ze daarom de snoepjes niet mogen proeven. In het rollenspel leren ze anderzijds om hun mimiek en gebaren zo te gebruiken dat je niet kunt zien wat ze op dat moment voelen. Ook dat kan, zoals we weten, handig zijn in het leven van een volwassene.

Byebye, grijpreflex

Misschien heb je je afgevraagd waarom jouw kind dingen uit de kinderwagen gooit: het kind doet dat niet om je te ergeren, maar is bezig impulscontrole te oefenen. Het heeft net zijn grijpreflex overwonnen en het besef dat hij dingen ook los kan laten, maakt hem blij.

In tegenstelling tot spinnen die direct weten hoe ze een web moeten spinnen, zodra ze op de wereld komen, moeten zuigelingen en kleine kinderen een weg vinden in de nieuwe wereld. In hun brein is een overaanbod aan neuronale paden. Daarvan hebben ze veel meer dan volwassenen. Al die paden vormen mogelijkheden en potenties. Daarom is het belangrijk dat kinderen in het spel van alles kunnen uitproberen. Dan ontwikkelen ze zich helemaal vanzelf, zonder doel en onbewust. Op die manier kunnen de verbindingen in hun brein zich verstevigen. Alles wat niet gebruikt wordt, wordt later afgebroken. André Frank Zimpel schetst dit inzicht op een mooie wijze: wij komen als kosmopolieten op de wereld en worden uiteindelijk provincialen. Daarom moet je jouw kind zo vaak mogelijk de gelegenheid bieden om te ontdekken en te creëren, dus te spelen.

Misschien toch vroegstimulering?

In elk kinderbrein zijn de verbindingen al aangelegd, zodat het probleemloos Quechua, Swahili of Mandarijn zou kunnen spreken. Of alle drie de talen tegelijk. Als het kind deze talen niet leert spreken, verdwijnen de mogelijkheden weer. Een volwassene heeft daarom meestal enorme problemen om vertrouwd te raken met de typische eigenschappen van een vreemde taal, bijvoorbeeld om in het Chinees de toonhoogtes uit elkaar te houden of zelfs te produceren. In het Engels noemen ze dat ‘Use it or lose it’. Precies daar maken ouders zich druk om: dat hun kinderen dat wat in hen is aangelegd, niet ten volle benutten, potenties verspillen. Daarom doen ze hun kinderen op gitaarles, ritmische gymnastiek of sturen ze hun kinderen naar een tweetalige kleuterschool of kinderopvang. André Frank Zimpel is echter van mening dat kinderen door vroegstimuleringsprogramma’s juist te veel of te weinig worden uitgedaagd. Hij adviseert in plaats daarvan om veel met je kinderen te spelen of ze veel te laten spelen; dan worden ze vanzelf slim.

© AntonioDiaz – adobe.stock.com

Kinderen ontwikkelen zich alleen daar waar ze kunnen spelen, niet daar waar iemand al iets heeft uitgevonden en deze kennis alleen nog overdraagt. Uiteindelijk heb je om te leren lopen, een zeer complexe handeling, ook geen school nodig. Peuters ontdekken spelenderwijs, hoe dat het beste zou kunnen lukken (niet zonder tegenslagen tussendoor!) – totdat ze het onder de knie hebben. Dit principe kan ook op andere dingen worden toegepast: tijdens het spelen ontdekt een kind geheel terloops vaardigheden die in hem verborgen liggen, bijvoorbeeld dat het de gave heeft om vrienden bij te staan als ze hem hun zorgen of angsten toevertrouwen. Dit kind is dus sociaal bijzonder competent. Een ander kind ontdekt misschien dat het in staat is om met blokken een hele hoge toren te bouwen. Gerald Hüther spreekt in dit verband van een topprestatie. Hij heeft het ook over ‘hoogbegaafde klimmers’ als een kind heel erg goed kan klimmen. Volgens hem zijn er vele soorten talenten, niet alleen de muzikale of de intellectuele.

Ik weet wat je van me wilt

Ouders vinden het vaak belangrijk dat hun kinderen intelligent zijn. Daarmee bedoelen ze de wiskundige intelligentie. Veel belangrijker is volgens André Frank Zimpel de sociale intelligentie (die je onder andere in het rollenspel leert). Dat de reeks 2, 4, 6 door een 8 wordt opgevolgd, is voor iedereen duidelijk. Dat gaat echter voor een zogenaamde slimme computer niet op, want die kan ook regels vinden volgens welke de voortzetting 342 zou zijn. Of – 19. De PC is niet sociaal intelligent. Wij zijn dat echter wel en kunnen bedenken wat men van ons verwacht: namelijk dat wij op het voor de hand liggende getal 8 komen.

Angst en plezier

André Frank Zimpel raadt daarom vroegstimulering af, omdat hij weet dat spelen de duurzaamste en efficiëntste vorm van leren is. Want alles wat je met plezier leert, blijft hangen. Positieve emoties spelen daarbij een grote rol. Ze zorgen ervoor dat wij ons het geleerde herinneren. Daarvoor zijn de overdrachtsstoffen in ons brein verantwoordelijk die bij emoties vrijkomen. Ze zorgen ervoor dat ik me graag aan de leersituatie herinner en daarom vrijwillig iets herhaal. Dat is ook de reden waarom André Frank Zimpel een van zijn boeken ‘Spielen macht schlau!’ (Spelen maakt slim) heeft genoemd.

Maar ook negatieve emoties kunnen ervoor zorgen dat iets in onze herinnering blijft hangen. Het is zelfs zo dat wij angst het beste leren. Dat laten onder andere mensen zien die een traumatische ervaring hebben gehad. Vaak is een enkel geluid, een geur of een afbeelding genoeg om het oorspronkelijke trauma (dus dat wat ze ooit in een kort moment hebben geleerd) te triggeren. Ook al werkt angst nog zo goed, toch is het veel verstandiger om op speelse wijze en met plezier te leren.

School als rem op de ontwikkeling van potenties

André Frank Zimpel, expert op het gebied van leren, formuleert een interessante constatering: kinderen moeten niet zoveel mogelijk leren om zich verder te ontwikkelen. Het is juist precies andersom: ze moet zich geestelijk ontwikkelen om niet meer zoveel te hoeven leren. Daarvoor is voor hen het spel ideaal, want kinderen maken helemaal geen onderscheid tussen leren en spelen.

Ondertussen gaan er steeds meer stemmen op die ervoor pleiten om het leren zo weinig mogelijk te structureren (zie hierover ook het artikel ‘Leren moet leuk worden’). Het argument: kinderen krijgen door de focus op cijfers nauwelijks de gelegenheid om hun passies uit te oefenen en te ontdekken welke talenten ze hebben. Zonder leiding van buitenaf gaan ze juist die uitdagingen aan die ze goed het hoofd kunnen bieden, die hen niet overbelasten noch te weinig stimuleren. Ze kunnen zelf het beste inschatten welke uitdaging dat op dat moment is. Tijdens het spelen ontwikkelen ze fantasie, en fantasie is niet alleen maar een verzinsel! Om je een voorstelling te kunnen maken van atomen, bacteriën of andere complexe zaken, heb je ook later als volwassene nog heel veel fantasie nodig.

Volwassen blijven buiten

Veel ouders vragen zich af of ze moeten deelnemen aan het spel van hun kinderen. Of het goed zou zijn als ze hun kinderen aanmoedigen tot spelen. Dat is niet nodig; kinderen gaan vanzelf spelen. Als volwassenen kunnen we eventueel ideeën aan de hand doen of het kind alvast enthousiasmeren voor een spel dat geschikt is voor de volgende ontwikkelingsfase. Maar pas wanneer het kind zover is, zal het zich ook echt met plezier daarmee bezighouden.

Zelf moeten we ons niet met kinderen bemoeien als ze aan het spelen zijn, want volwassenen kunnen lang niet zo enthousiast raken als kinderen. Kleine kinderen merken snel dat je maar doet alsof. Verder moeten we vooral niet prijzen of berispen. Het leidt er allebei toe dat het spel snel kan eindigen. Want dan spelen kinderen er niet meer zomaar op los, maar worden ze door onze denkbeelden gestuurd, door onze verwachtingen en pedagogische doelen. Zelfs prijzen is schadelijk. Experimenten hebben aangetoond dat motivatie van buitenaf de intrinsieke motivatie ondermijnt. Het spel van de kinderen is namelijk al de beloning.

© Konstantin Yuganov – adobe.stock.com

Deze ervaring heeft ook Arno Stern opgedaan. Al decennialang geeft hij leiding aan de ‘Malort’ (‘schilderplek’) in Parijs. De ‘Malort’ is een aparte ruimte waarin kinderen zich op zichzelf kunnen concentreren, en waar ze dat schilderen wat er vanzelf in hen opkomt. Het is een plek van bemiddeling, want datgene wat er ontstaat, is geen kunstwerk: het wordt niet gecreëerd om bij de toeschouwer in de smaak te vallen, het heeft ook geen boodschap, zoals dat bij kunst normaal gesproken het geval is. Het ontstaat, omdat het kind speelt.

Arno Stern is weliswaar geïnteresseerd in wat ‘zijn’ kinderen schilderen, en helpt ze erbij, maar hij stelt hun geen vragen, want vragen leiden ertoe dat de kleine schilderspelers zich moeten rechtvaardigen. Ze nemen dan een defensieve houding aan en voelen zich ondergeschikt. Elke instructie voor, elke beoordeling van het geschilderde kan tot gevolg hebben dat in het kind de bron van spontaniteit opdroogt. Daarom blijven alle schilderijen in de ‘Malort’ en worden ze niet getoond aan de buitenwereld. Het is voldoende om de kinderen serieus te nemen in wat ze doen, zegt Arno Stern.

Playdates als nieuwe trend?

De tijd waarin de kleine Tim aan de deur kwam om te vragen of zijn vriend Sem buiten wilde spelen, is voorbij. Wie in een woonwijk woont, zal weten dat de speeltuinen er verloren bij liggen. Uit angst voor wat er allemaal niet zou kunnen gebeuren, laten ouders hun kinderen niet meer vrij buitenspelen. Ze houden liever een oogje in het zeil.

In de agenda van kleine kinderen staan niet alleen maar meer schoolactiviteiten. Daarin staan ook steeds meer vrijetijdsactiviteiten. Vooral in de VS spreken ouders vaak playdates af: ze ontmoeten elkaar, zodat hun kinderen met elkaar kunnen spelen. Eigenlijk is dat een soort dating voor de volwassenen, want vaak is het niet duidelijk of de ouders ‘compatible’ zijn. Stroeve gesprekken kunnen dan het gevolg zijn, en een ‘blauwtje’ voor de volgende playdate. Als de ouders niet bij elkaar passen, zullen ook de kinderen niet langer met elkaar spelen. Of de ouders bijten door de zure appel heen en brengen tijd door met iemand die ze eigenlijk helemaal niet mogen. Deze organisatie van de vrije tijd leidt ertoe dat kinderen niet meer zo spontaan en nieuwsgierig zijn als vroeger.

Spelsoorten

Voordat we kijken naar het spel van de volwassenen, werpen we een blik op de spelsoorten die tegenwoordig bestaan. Christoph Quarch en Gerald Hüther onderscheiden in hun boek ‘Rettet das Spiel! Weil Leben mehr als Funktionieren ist’ (Red het spel! Omdat leven meer is dan functioneren) vijf spelsoorten: behendigheidsspellen, competitieve spellen, cultische spellen, schouwspelen en kansspelen.

Behendigheidsspellen

Behendigheidsspellen zijn vaak puur tijdverdrijf. Daardoor ontwikkelen we onze cognitieve of motorische vaardigheden, of we nu bij het boulderen een muur beklimmen, jongleren, een denkspelletje oplossen of een held op de computer door verschillende werelden loodsen. Er is hier slechts sprake van een beperkte mate van ontwikkeling, want we voeren immers steeds dezelfde bewegingen of denkprocessen uit.

© Steven Stückler – adobe.stock.com

Competitieve spellen

Competitieve spellen staan bij pedagogen niet hoog in aanzien, want aan het einde is er altijd een winnaar. En dus ook een verliezer. De concurrentie is bij dit soort spellen duidelijk aanwezig. Onder deze categorie vallen alle sporten die bijvoorbeeld bij de Olympische Spelen vertegenwoordigd zijn, want pure competitieve spellen zijn vooral in de sport te vinden. Maar ook de meeste bordspellen vallen onder deze categorie. Maar ook al zien pedagogen hun leerlingen liever niet in competitieve omstandigheden: kinderen vinden competitieve spellen geweldig – ze willen ontzettend graag winnen. Hüther en Quarch zien er niet veel problemen in: in hun ogen zijn sterke emoties, die je bij het winnen en verliezen ervaart, misschien toch beter dan een saai en gedistantieerd ‘ieder voor zich’. Ondanks de concurrentie is het competitieve spel toch nog een spel: je speelt om te spelen. Aan de andere kant kunnen alle spelsoorten worden omgebogen in competitieve spellen. Bij een zangwedstrijd gaat het bijvoorbeeld in de eerste plaats om de stem, maar uiteindelijk nemen de zangers het tegen elkaar op en gloort er voor winnaar roem aan de horizon. Een ander voorbeeld is ‘Wedden dat’, waarbij deelnemers hun ongebruikelijke talenten tonen (behendigheidsspel) en het daarbij tegen elkaar opnemen. Hetzelfde geldt voor klaverjassen, dat eigenlijk een kansspel is. Zodra er een klaverjastoernooi wordt gehouden, wordt het competitief.

Cultische spelen/schouwspelen

Cultische spelen behoren tot de oorspronkelijkste vormen van spelen. Net als bij andere spellen zijn tijd en ruimte beperkt. De sjamaan markeert het speelveld en begint het ‘spel’ op een toneel dat op een tempel lijkt: het spel zal geen winnaar opleveren, er hoeft niets te lukken, maar uiteindelijk zal er zich iets openbaren. Wat dat is, is aan het begin niet bekend. Het schouwspel is verwant aan het cultspel. Daar gaat het, net als bij een balletvoorstelling of in een speelfilm, erom het menselijke te verbeelden. Er vindt interactie plaats tussen afzonderlijk spelers, tussen de spelers en het publiek of tussen de spelers en de spelregels.

Kansspelen

Kansspelen hebben hun oorsprong in het orakel. De spreuk van het orakel werd altijd bepaald door het toeval. Daarin lag de grote aantrekkingskracht. Ook in het casino gaat het erom dat je uitvindt of het geluk aan jouw kant staat. Dat je daarbij meedoet aan een spel dat niets met de werkelijkheid te maken heeft, blijkt onder andere uit de avondkleding. Je verkleedt je als het ware voor het spel. Bij roulette of blackjack moet het de speler niets uitmaken, hoe het spel eindigt. Wie naar het casino gaat om te winnen is geen speler meer. Het spel is eigenlijk geen spel meer; het gaat alleen nog om het winnen. Daarom zijn ook speelautomaten geen echte spellen. Hetzelfde geldt voor het wedden bij voetbalwedstrijden: het draait niet meer om het spel zelf, om de vaardigheid van de sporters, maar alleen nog maar om de eindstand en dus om de winst.

Het spelen van volwassenen

Spelen volwassenen ook? Het antwoord op deze vraag is niet zo eenvoudig te geven. Sommigen spelen meer, anderen minder. Elk mens kent vast en zeker momenten waarop hij speelt. Bijvoorbeeld als hij in zijn hoofd alle mogelijkheden afspeelt, voordat hij een beslissing neemt. Sommige beroepsgroepen zijn echte spelers: sommigen spelen met kleuren en schilderen kunstwerken, anderen spelen met woorden en schrijven romans en gedichten, sommigen spelen een muziekinstrument en anderen spelen met hout of klei waarvan ze de beelden maken.

Maar het overgrote deel van onze maatschappij is doordrongen van het economische denken. De vraag luidt hier steeds hetzelfde: “Wat zit er voor mij in?” De waarden van de economie zijn effectiviteit, functionaliteit, productiviteit en winstgevendheid: oorspronkelijk kwam je deze waarden alleen in de economie tegen. Steeds meer dringen ze ook in andere aspecten van het leven door: in de gezondsheidszorg, op cultureel gebied en zelfs in de religie. Zelfs in de kinderopvang worden pedagogisch medewerkers niet beoordeeld op hoe ze kinderen helpen in hun ontwikkeling en iets in hun hoofden veranderen, maar of ze kosteneffectief of efficiënt werken. Ons leven is serieus geworden: serieus op het werk, in de economie en industrie, serieus in de politiek. Voor spel en plezier blijft er weinig ruimte over. De meesten proberen het beste uit zichzelf te halen, carrière te maken en veel geld te verdienen. Dat is belangrijker dan onze persoonlijke ontwikkeling, waarin we juist onze mogelijkheden onderzoeken en ontdekken.

© dell –adobe.stock.com

Veel mensen gaan gebukt onder het gebrek aan ongedwongenheid, het steeds maar voltooien van opdrachten: psychosomatische klachten hopen zich op, velen hebben een burn-out en sommigen voelen zich alleen maar ongelukkig, terwijl ze niet de vinger kunnen leggen op het waarom. Ondertussen zijn ze van actieve spelers op het toneel des levens verandert in gewone consumenten: waar je vroeger in het theater meeleed, wordt tegenwoordig het schouwspel op een mat beeldscherm enkel geconsumeerd. Je kijkt naar wat je wordt voorgeschoteld en ondertussen eet je een zak chips leeg. Het spel, welke soort dan ook, is entertainment geworden. Ook mensen die veel tijd doorbrengen in speelhallen of heel veel online gamen, zijn naar iets op zoek dat ze in het echte leven niet vinden. Het is maar zeer de vraag of dit een weg is naar succes.

Koning voetbal

In welke mate is er in het voetbal eigenlijk nog sprake van spel? In principe nog heel veel. Het is een mix van schouwspel, kansspel, behendigheidsspel en competitief spel. De elementen die voor alle spelsoorten kenmerkend zijn, zijn ook hierin terug te vinden: er zijn duidelijke regels, het spel is beperkt qua tijd en ruimte. De spelers dragen wedstrijdkleding. De toeschouwers in het stadion, die ook door middel van hun kleding laten zien voor wie ze zijn, nemen er direct deel aan en gaan mee. Voetbal is een van de weinige spellen op de wereld dat echt alle mensen verbindt: de finale van het WK 2014 werd tegelijkertijd door 1,2 miljard mensen ter wereld bekeken. Toch is het spel doordrenkt van het economisme. Dat blijkt niet alleen uit de om de paar seconden wisselende reclameborden en de logo’s op de shirts van de spelers. Steeds weer is er sprake van corruptie, wedschandalen en matchfixing. Philip Lahm, voormalig aanvoerder van het Duitse nationale elftal, heeft het wezen van het spel onder woorden gebracht toen hij zei: “Als ik tijdens de wedstrijd aan het prijzengeld denk, kan ik niet meer spelen.”

De eerste ervaringen die ons in de richting van het economisme duwen en waardoor wij veranderen in een homo economicus, doen wij in onze kindertijd op. Eerst worden we blootgesteld aan de wensen, verwachtingen, beoordelingen en opvoedingsstrategieën van onze ouders en voelen we ons als objecten. Later proberen we aan deze rol te ontsnappen, door op onze beurt anderen tot objecten te maken: als politicus, ondernemer, marketingprofessionals of, of, of. Maar dat lukt niet iedereen: degenen die daar niet in slagen (omdat ze beroepshalve niet een hoge positie hebben), voelen zich gefrustreerd, zijn ontevreden met hun leven, worden passief, voelen zich slachtoffer van de omstandigheden en leggen zich uiteindelijk bij de situatie neer.

Deze mensen hebben niet het gevoel dat ze zelf vormgeven aan hun leven. Ze hebben niet het gevoel dat ze iets bijzonders zijn, en daarom nemen ze hun toevlucht tot de consumptie: ze kopen schoenen, dure auto’s, een nieuwe smartphone of gaan op reis. Hoe meer er van zulke mensen zijn, des te beter floreert de economie die schoenen, auto’s en smartphones produceert en die de gefrustreerde en verveelde burgers alle vormen van entertainment biedt.

© corepics – adobe.stock.com

Helaas heeft het economisme ook steeds meer onze kinderen in de greep, en daar zorgen we gedeeltelijk zelf voor. Als we kinderen steeds belemmeren bij het spelen, ze confronteren met onze verwachtingen, steeds zeggen wat ze moeten doen en regels stellen, dan houden kinderen op met spelen. Dan wachten ze af, totdat we hun vertellen wat ze precies moeten doen, en hoe ze het moeten doen. Vanaf dat moment worden ze niet meer uit zichzelf actief of creatief, maar in plaats daarvan nemen ze een afwachtende houding aan. Als er vervolgens niemand meer is die hun vertelt wat ze moeten doen, vervelen ze zich. Kinderen kunnen zichzelf niet meer vermaken en veranderen in consumenten. Dat speelt de producenten van ‘anti-verveel-producten’ in de kaart: ze bedenken steeds gekkere vormen van vermaak voor kleine kinderen en de ouders kopen, kopen en kopen die om hun kinderen bezig te houden. Als ze ermee uitgespeeld zijn, zorgen de bergen met speelgoed voor nog meer verveling. De verveling is zelfs steeds meer zichtbaar in onze directe omgeving: speelplaatsen met een ondergrond van beton en hier en daar een speeltoestel in plaats van (verwilderde) parken, speelweides en avontuurlijke speeltuinen. En dat allemaal omdat kinderen niet meer weten hoe ze moeten spelen.

Verslavingskans: groot

Er wordt steeds meer gewaarschuwd voor online games. Is dat terecht? Helaas wel. Bij veel online games ontbreekt een belangrijk element dat alle andere spellen gemeen hebben: tijdsbeperking. Het spel is nooit uit, het gaat steeds maar door, er liggen steeds weer nieuwe uitdagingen in het verschiet voor de gamer. Het risico: het lukt de speler niet om van het spel los te komen en hij brengt een groot deel van zijn vrije tijd in een parallelle wereld door. De gameprocenten spelen handig in op de verslavingskans, waarbij die niet moet worden onderschat: kinderen en jongvolwassenen kunnen verslaafd raken en hebben dan hulp nodig.

Couch potatoes

Waar leidt de consumptieve houding toe die wij inmiddels al als kinderen aanleren? Het wordt steeds duidelijker dat vele beroepssectoren die er tegenwoordig zijn, over niet al te lange tijd worden overgenomen door algoritmes. Diverse branches zullen daardoor worden getroffen, onder andere de sectoren elektrotechniek, metaal, machinebouw, secretariaat, financiën, verkeer, logistiek en transport, chemie, textiel, levensmiddelen en dranken. De telefoniste, de boekhouder, de magazijnmedewerker, de coupeuse, de banketbakker enzovoorts, ze zullen er allemaal mee te maken krijgen. Wat zal blijven, zijn beroepssectoren waarin creativiteit of bijvoorbeeld empathie een rol spelen. Alle andere beroepen die bestaan uit eenvoudige en zich herhalende activiteiten (dus activiteiten die geen plezier geven), zullen verdwijnen. De mensen die tot dusver werkzaam waren binnen deze sectoren, worden niet meer van buitenaf gemotiveerd en blijven op de bank zitten. Deze mensen zullen, zoals Gerald Hüther in zijn visie voorspelt, het onvoorwaardelijke basisinkomen ontvangen en zich thuis gaan vervelen. Om de verveling tegen te gaan, verliezen ze zichzelf in virtuele werelden. De kostbare technologie van VR-brillen wordt dan ook door de game-industrie gefinancierd. De mensen brengen in hun eentje tijd door in deze mooie nieuwe wereld; het gezin en de kinderen trekken daarbij aan het kortste eind. De enigen die niet betroffen zullen zijn, zijn mensen die graag werken, omdat in hun leven alles draait om creëren en ontdekken. Zij zijn in staat om zichzelf bezig te houden.

Plezier in het werk

De speelse benaderingswijze is niet alleen belangrijk om plezier te hebben in je werk. Ze levert ook betere resultaten op. Als je een probleemstelling op een speelse wijze benadert, denk je niet meteen aan iets dat voor de hand ligt, maar laat je eerst je gedachten erover gaan. Niet onder druk en het beste ook niet achter je bureau. We komen op de beste ideeën als we doelloos bezig zijn, we geen doel nastreven, als we onze gedachten laten dwalen en ze vervolgens vanzelf uitmonden in een groot geheel.

© maxbelchenko – adobe.stock.com

Baanbrekende innovaties ontstaan niet als we binnen een bepaalde tijd een resultaat moeten leveren. Ze bouwen ook niet voort op iets dat al bestond. De ontdekking van de verbrandingsmotor, waarmee een voertuig kon worden aangedreven, was bijvoorbeeld zo’n creatieve prestatie. Wat volgde waren verdere ontwikkelingen en specifieke toepassingsmogelijkheden: campers, cabrio’s, terreinwagens. Deze lineaire innovaties kunnen zeker onder druk van de concurrentie worden geproduceerd, voor echte creatieve prestaties geldt dat echter niet. Daarvoor is ‘speelruimte’ nodig. Ook de ontwikkeling van raketten, de reis naar de maan, unieke kunstwerken was niet gepland, maar is min of meer ontstaan door toeval of door keer op keer uitproberen.

De beste ideeën ontstaan sowieso door het samenspel met anderen. Dan is er namelijk sprake van co-creatie. Een gedachte bouwt voort op de gedachte van iemand anders; de gedachteflitsen steken elkaar aan. Uiteindelijk ontstaat er iets wat we in ons eentje nooit tot stand zouden hebben kunnen brengen. Geen som van afzonderlijke delen, maar iets dat veel verder gaat dan dat. De andere is daarbij een medespeler, geen concurrent.

Gerald Hüther geeft leiding aan de ‘Akademie für Potenzialentfaltung’ (academie voor de ontwikkeling van potenties) in Göttingen en vertelt over een geval waarbij door co-creatie een topprestatie is geleverd: hij heeft een team van amateurwielrenners uit Thüringen begeleidt, dat wilde deelnemen aan de Race Across America, een van de zwaarste wielrenwedstrijden. De teamleden boekten geen progressie meer in hun training, bij eenvoudige proefwedstrijden vlogen ze elkaar in de haren. Op die manier zou het niks worden met een race van de oost- naar de westkust van Amerika. Hüther leerde ze hoe je samenwerkt, op speelse wijze uitprobeert wat er allemaal mogelijk is, elkaar onderling uitdaagt, aanmoedigt en inspireert. Het resultaat: het team heeft niet alleen de finish gehaald, maar eindigde zelfs op de eerste plaats. Helemaal zonder sponsoren, die de Amerikaanse wielrenners bijvoorbeeld wel hadden.

Niet alleen als het gaat om buitengewone prestaties brengt een speelse benadering ons verder. Je kunt het hele leven als spel zien. Dat zou levenskunst in haar puurste vorm zijn – in tegenstelling tot levenstechniek. Daarbij moet je wel bedenken dat het eigen leven nooit klaar is. Het gaat steeds door, er komen nieuwe spelers bij die ons anders naar dingen laten kijken, er openbaren zich steeds weer nieuwe mogelijkheden om creatief te zijn, waardoor we onze potenties kunnen ontplooien. Als we nieuwe mede- en tegenspelers ontmoeten, moeten we niet vertrouwen op reeds geleerde vaardigheden en technieken, maar altijd een nieuwe zet proberen. Dan blijven we levendig, ontdekken we onze mogelijkheden, ontplooien we potenties die in ons liggen te sluimeren, voelen we ons met anderen verbonden. Geheel terloops vinden we ons opnieuw uit.

Het begrip spel klinkt als iets privés. Maar Quarch en Hüther drukken ons op het hart om ook op andere gebieden te spelen. Iedereen vervult in zijn leven verschillenden rollen, bijvoorbeeld die van schoonmaker, directeur, kleinkunstenaar, vader, levenspartner of squashspeler. Het is belangrijk om je niet met je rollen te identificeren, maar op speelse wijze daarmee om te gaan. Want het komt vaak voor dat ik mijn doel binnen een rol niet bereik. Door de rol los te koppelen, loopt mijn ‘ik’ echter geen gevaar. Het mooie aan het spel van het leven is dat we altijd nieuwe rollen kunnen ontdekken.

Op welke gebieden kun je nog meer spelen? Laten we er twee gebieden uitpikken: het bedrijf en de politiek. Ja, politiek. Maar eerst naar de economie: bedrijven die goed zijn en echt iets willen bereiken, hebben visie nodig, want alleen door visie te hebben, kunnen ze innoveren. Hiervoor geldt overigens hetzelfde: een bedrijf boekt geen vooruitgang als het bestaande producten verder ontwikkelt. Verder ontwikkelde producten zijn geen echte innovaties. Echte innovaties zou je kunnen vergelijken met een kunstwerk.

© denys_kuvaiev – adobe.stock.com

Maar ook op het gebied van de sales, waar het om het verkopen gaat, is het mogelijk om te spelen. Daar misschien nog wel het meest. Hoe je dat moet doen, kun je het beste afkijken bij een ‘verkoopgesprek’ op een bazaar. Daar lijkt het meer op een spel dan op een echte commerciële onderhandeling. Op een speelse, nonchalante manier wordt daar onderhandeld. Uiteindelijk zijn koper en verkoper in het beste geval tevreden dat ze een voor beiden bevredigende oplossing hebben gevonden.

Maar nu naar de politiek: ook het parlement kan als speelruimte dienen – voor serieuze spelvormen. Ook in het parlement staan spelende partijen tegenover elkaar, zodat het uiteindelijk helder wordt wat de beste manier is om met een bepaald onderwerp om te gaan. Dan wordt duidelijk welke besluiten er moeten worden genomen. Helaas wordt er in de politiek niet meer gespeeld, omdat de spelers zich te veel identificeren met hun rol. Het gaat hen erom dat ze winnen en hun standpunt en dat van hun partij erdoor kunnen drukken. Er wordt zelden gedacht aan het algemeen belang.

De helende werking van het spel

Terug naar de kinderen. Hoe belangrijk het spel voor kinderen is, wordt ook duidelijk in de speltherapie die vooral door Anna Freud, de dochter van Sigmund Freud, bekend werd. Anna Freud zag hoe kinderen vaak datgene naspeelden wat er zich op dat moment afspeelde in hun leven.

Kinderen spelen datgene na, wat ze niet op een andere manier kunnen uitdrukken: hun ideeën en behoeften, ervaringen en angsten, en de conflicten die ze met anderen hebben. De problemen in hun leven worden duidelijk in het spel, vaak betreft dat ook hun gevoelsleven. Door speltherapie, die ook wel wordt aangeduid als psychotherapie voor kinderen, is het mogelijk om kinderen te helpen bij de verwerking van trauma’s en het omgaan met stoornissen in het gevoelsleven. Dingen waar kinderen last van hebben, kunnen op die manier worden weggenomen.

De Vitos Kinder- und Jugendklinik für psychische Gesundheit Marburg (kliniek voor geestelijke gezondheidszorg voor kinderen) is gespecialiseerd op dit gebied. Terwijl de therapeute met een kind speelt, biedt dit beiden de kans om kennis met elkaar te maken en gaandeweg het spel, dat meestal meerdere sessies in beslag neemt, samen de thema’s van het kind te behandelen.

Vaak laat de therapeute het kind zelf het speelgoed kiezen; ze vraagt alleen of ze mee mag doen. De wens van het kind wordt altijd gerespecteerd. Als het kind er bijvoorbeeld voor kiest om met blokken een muur om zich heen te bouwen, dan duidt dat op distantieproblematiek. Controle en vertrouwen zijn in dit geval de centrale thema’s. Als het de therapeute lukt om het vertrouwen van het kind te winnen, meestal doordat ze zijn gedrag accepteert, kan het kind zich openstellen. Vanaf dat moment kan de volwassen therapeute met haar werk beginnen.

© Fiedels – adobe.stock.com

Er kan ook ander speelgoed worden gebruikt. In een scène met handpoppen laat de therapeute bijvoorbeeld het meisje dat behandeld wordt, kiezen tussen een schildpad en een krokodil. Het meisje kiest de krokodil – en eet in het spel de schildpad op. De keuze voor het sterke personage zou kunnen duiden op een angststoornis of een depressie en op een laag gevoel van eigenwaarde. Dus op alles waarvoor de schildpad staat, maar die staat aan het begin nog veel te dicht bij de eigen persoon. Na meerdere sessies kiest het meisje uiteindelijk een keer voor de schildpad. Dat is het moment waarop het meisje zich sterk genoeg voelt en de krokodil verjaagt. Uit deze rolwisseling blijkt dat de therapie succesvol is: het meisje overwint haar angsten en kan vanaf dat moment een zelfbewust leven leiden.

Naspel

Sommigen vragen zich af waar we terecht zouden komen als iedereen dat zou doen wat hij graag zou willen doen. Zoals we hebben gezien, luidt het antwoord: heel ver. Daarom is het tijd om het spel weer in ons leven toe te laten. Wie bij een spel de tijd vergeet, is gelukkig en heeft geen wensen meer. Wie geen wensen meer heeft, wordt geen consument. Gelukkig zijn er nieuwe generaties die oude gedragspatronen en denkstructuren willen doorbreken. Ze vinden het leuk om dingen te ontdekken, hun leven vorm te geven en op speelse wijze uit te proberen wat er allemaal mogelijk is. Laten we ze daarbij stimuleren: laten we de kinderen spelen!

© Paloma Ayala – adobe.stock.com

QUADRO is spelen

Waarom houden wij ons bezig met zulke interessante en complexe thema’s als het spelen? Omdat het ons helpt om kinderen beter te begrijpen. Deze kennis wordt vanzelf of terloops meegenomen in de ontwikkeling van nieuwe producten en spel-ideeën. Want bij QUADRO draait het hierom: onbevangen en zelfbewust creatief te worden, terloops innovaties mogelijk te laten worden en echt goed speelgoed voor kinderen te maken.

QUADRO, dat is spelen in zijn puurste, meest oorspronkelijke vorm. Een bouwpakket nodigt ertoe uit om in zichzelf gekeerd te spelen, te klimmen, te glijden en te plonzen. En dat urenlang. Het dient als decor voor het rollenspel, waarbij het niet uitmaakt of het kind graag een astronaut wil zijn of een kasteelridder: alles is mogelijk.

Weet je wat het mooiste is? Jouw kind kan zelfs iets bedenken, waaraan wij QUADRO-bouwers tot op heden niet hebben gedacht. Dat vinden wij goed, want ook wij leren graag op speelse wijze iets bij.

Laat een reactie achter

Opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd