‘Leren moet leuk worden’ – over computerspelletjes en laptops

© iuricazac – stock.adobe.com

Een overzicht van meer of minder succesvolle onderwijsmethodes – met perspectieven voor ouders.

De studie ‘Breakpoint and Beyond’ uit 1992 liet zien dat 98 procent van de deelnemende kinderen als geniaal konden worden aangeduid, omdat ze voldeden aan de overeenkomstige criteria. De testen werden gedaan bij 1600 kinderen in de leeftijd van 3 tot 5 jaar. Creatief zijn betekent: je bent in staat om voor probleemstellingen meerdere onconventionele oplossingen te vinden. Kinderen zijn juist daarom zo inventief, omdat ze niet bang zijn om fouten te maken. Maar wat gebeurt er als je dezelfde kinderen later nog eens onderzoekt? Dat is nu precies wat de wetenschappers hebben gedaan. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de kleine kinderen naar mate ze ouder werden steeds meer aan creativiteit inboetten. Van de volwassenen, die als kinderen aan de test onderworpen waren, kon op de leeftijd van ca. 31 jaar slechts nog 2 procent als geniaal worden aangeduid. Wat was er in de tussentijd gebeurd? Heeft het onderwijs de verbeeldingskracht van de kinderen in de kiem gesmoord, zoals de Britse auteur en deskundige op het gebied van onderwijs en creativiteit Ken Robinson beweert? Dit vraagstuk willen wij in dit artikel onderzoeken en tevens willen we wegen wijzen om uit dit dilemma te komen.

© New Africa – stock.adobe.com

Eén op de 14 kinderen in Duitsland heeft niet eens een ‘Hauptschulabschluss’, waarvan het niveau te vergelijken is met het Nederlandse vmbo-diploma. Dat is vanuit het oogpunt van de gerenommeerde neuroloog Manfred Spitzer een onhoudbare toestand. Want ons brein kan enorm veel leren en is niet eens in staat om niets op te nemen. Pas wanneer 70 tot 75 procent van alle hersencellen afgestorven is, daalt het prestatievermogen, eerder niet. Spitzer noemt het voorbeeld van een meisje bij wie de linker hersenhelft operatief moest worden verwijderd, daar waar het spraakcentrum ligt. Het meisje spreekt nu twee talen vloeiend. Waarom gaat het mis bij mensen die geen diploma halen, terwijl ze een goed werkend brein hebben? Het probleem zit hem hierin: het brein neemt vaak niet datgene op wat de leraar graag zou willen, maar andere dingen die interessanter zijn. Maar bovenal is het niet gemaakt om uit het hoofd te leren, te stampen. Je kunt het niet vergelijken met een harde schijf waarop gegevens simpelweg kunnen worden opgeslagen. Het brein heeft altijd verbanden nodig.

© Giovanni Cancemi – stock.adobe.com

Ons brein is kieskeurig.

Ook de reeds overleden Vera Birkenbihl heeft uitgezocht dat je een groot deel van wat je op school leert weer vergeet. Ze komt tot de conclusie dat leerlingen geen desinteresse hebben, gedemotiveerd of ongetalenteerd zijn. Als iemand niets leert, dan ligt dat bijna altijd aan het feit dat de leerstof niet goed genoeg wordt overgedragen, ofwel: dat het onderwijs simpelweg saai is. Het ligt aan de methode van de docent, niet aan het onderwerp. Bovendien is ons brein niet gemaakt voor het leren van zinloze kennis. Dat is nu precies wat er in het onderwijs gebeurt. Daarom leren kinderen buiten school meer dan op school: in hun vrije tijd gebeuren dingen die hen interesseren, die ze willen onderzoeken. Dan wordt hun onderzoeksdrang gewekt. Kinderen doen actief kennis op, terwijl ze op school het frontaal onderricht over zich heen laten komen. Daarom stelt Vera Birkenbihl dat leren ‘leuk moet worden’.

© Gorodenkoff – stock.adobe.com

Velen van ons hebben die ene leraar gehad die ons wist te interesseren voor zijn vak, ons met zijn enthousiasme heeft aangestoken, zodat wij nog steeds een positieve connectie hebben met het onderwerp. Wat nu als elk vak zo zou worden onderwezen?

Een overkill aan onderwijs

Helaas ziet de werkelijkheid er anders uit, vooral sinds de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) het PISA-onderzoek heeft geïntroduceerd. Zoals de naam van de instantie doet vermoeden, worden daar met name economische belangen nagestreefd: kinderen moet worden klaargestoomd om als volwassene een zo groot mogelijke bijdrage te leveren aan de groei van de economie.

Duitsland behaalt bij de PISA-test geen topscores. De vraag is wat dat zegt over het Duitse onderwijssysteem. Hierbij is het nuttig om een blik te werpen op China, het land dat bij de PISA-testen altijd weer boven aan de ranking staat. Op het eerste gezicht is dat indrukwekkend. Maar als je nog eens beter kijkt, blijkt dat er een ongeëvenaarde prestatiemachine achter schuilgaat. Ouders en grootouders spenderen een groot deel van hun vermogen om ervoor te zorgen dat hun kinderen zo goed mogelijk onderwijs genieten. De concurrentie is groot: iedereen wil dat zijn kind iets bereikt, cum laude slaagt voor zijn examens. Centraal staan testen en wedstrijden: kinderen worden gedrild om daarbij zo goed mogelijk te scoren. Bij dit leerproces gaat het niet om verschillende meningen over een onderwerp, om discussie en debat. Het standaard antwoord staat al vast, tijdens proefwerken en examens moet het antwoord enkel worden opgelepeld. Er moet veel worden gestampt. Daarom begint de schooldag al om 07:30 uur ’s ochtends; pas om 20:30 uur is de dag afgelopen.

© imtmphoto – stock.adobe.com

Kinderen worden al op jonge leeftijd blootgesteld aan deze prestatiedruk. Op die manier is het mogelijk om heel veel uit hen te halen. Het gevolg: de kinderen kunnen eigenlijk nooit uitslapen, hebben nauwelijks de mogelijkheid om uit te rusten, en ervaren doorgaans maar weinig momenten van geluk. Daarom is het niet verwonderlijk dat in China het zelfmoordpercentage onder kinderen relatief hoog is.

Het land wordt in het PISA-onderzoek als modelland gezien. Is de voortrekkersrol eigenlijk nastrevenswaardig? Het lijkt erop dat het in Frankrijk dezelfde richting op gaat; daar is de ‘école maternelle’, de kleuterschool, dat het woord school al in zich heeft (het Franse ‘école’: school). In Frankrijk zijn kinderen als vanaf drie jaar leerplichtig. Daar is al sprake van een leerplan en zogeheten ‘succesrapporten’ voor elke leerling. De kleintjes zitten gedisciplineerd aan tafeltjes en houden zich bezig met vooraf vastgestelde activiteiten. De lerares is een gerespecteerde persoon die niet met de voornaam mag worden aangesproken. Sommige kinderen brengen tot wel 10 uur door op de ‘maternelle’.

Het idee achter deze schoolvorm was dat er van begin af aan geen ongelijkheid zou ontstaan tussen kinderen van verschillende afkomst. Door deze vroege stimulering van begin af aan hebben ze allemaal dezelfde kansen bij de start van hun schoolloopbaan. Bovendien zou het kind hierdoor moeten wennen aan het collectieve leven.

© len4foto – stock.adobe.com

Functioneren zul je ...

Ook al zijn er verschillen tussen Duitse en Franse kleuterscholen, toch zijn er ook overeenkomsten in heel Europa en de VS. In Duitsland vinden de vormen van deze leer hun oorsprong in het oude Pruisendom, waar het vooral ging om het ‘richten’. Maar ook in andere landen had men in tijden van oorlog vooral jonge mannen nodig die functioneerden. Ook in het tijdperk van de industrialisatie was het van groot nut om mensen te hebben die op aanwijzing van meerderen simpele werkzaamheden uitvoerden. Daarop kon men op school kinderen goed voorbereiden. De tijden zijn ondertussen gelukkig veranderd. Maar nu vertoont uitgerekend de economie militaire trekken: bedrijven zijn op zoek naar afgestudeerden die binnen het systeem functioneren. Hier geldt het principe ‘hoger, sneller, verder’. Alles is steeds meer gesynchroniseerd, moet steeds eerder klaar zijn en meer winst opleveren. Leidinggevenden worden in toenemende mate depressief, omdat ze de druk niet aan kunnen.

Steeds meer mensen vragen zich af of ze echt zo willen leven. Vooral ook omdat groei niet oneindig mogelijk is. Het wordt tijd dat we ons deze vraag al op het gebied van de basisschool stellen, die feitelijk ook het kapitalisme dient. Daar worden kinderen voorbereid op de toonaangevende concurrentiemaatschappij.

Baby’s hebben het niet zo op concurrentie

Hersenwetenschapper Gerald Hüther legt uit waarom het systeem überhaupt kan functioneren en waarom ouders daaraan meedoen: ze zijn bang dat er van hun kinderen niets terechtkomt. Tegelijkertijd weet hij dat je mensen niet kunt opvoeden, je kunt ze alleen uitnodigen om iets te leren. Hij noemt dat opvoedingskunst. Afgezien daarvan tart de concurrentiemaatschappij al zeer jonge kinderen. In de baarmoeder waren ze de via de navelstreng nauw verbonden met hun moeder, en van die behoefte naar verbondenheid is ook sprake na de geboorte. Testen hebben aangetoond dat zes maanden oude baby’s coöperatief zijn ingesteld. In een eenvoudige testopzet kozen ze altijd voor de situatie waarin hulp en bescherming werd geboden. Nog weer zes maanden later was het resultaat niet zo duidelijk: de kinderen waren gewend geraakt aan de situaties in het dagelijks leven waarin concurrentie een rol speelde, en gaven in een laatste test ook de voorkeur aan constellaties waarin competitief werd gewerkt. Dit gedrag hadden ze afgekeken van mensen in hun omgeving.

© mansong – stock.adobe.com

De druk die op kinderen en jongvolwassenen ligt, is echter niet alleen merkbaar in China. Een gymnasiumleerling met zeer hoge cijfers uit Hamburg klaagde in een open brief erover dat ze geen leven meer had sinds de gymnasiumperiode met één jaar (van 13 naar 12 jaren) werd verkort. Ze had te weinig vrije tijd, plezier – dus datgene wat het leven de moeite waard maakt. Volgens haar schiet school aan het doel voorbij om kinderen op het leven voor te bereiden. Vera Birkenbihl is een soortelijke mening toegedaan. Ze eist: kaart leren lezen in plaats van breuken, strijken in plaats van werkwoorden vervoegen, wortelgroenten kunnen onderscheiden in plaats van wortel trekken. Bovenal eist ze de juiste leermethodes.

© Syda Productions – stock.adobe.com

In de flow komen

Daarmee bedoelt ze methodes die ons in staat stellen om onszelf te onderwijzen. Zodat we weten hoe je leert, waar je iets kunt opzoeken of wat je aan een deskundige op zijn vakgebied zou vragen. Vragen zijn sowieso de basis vanwaaruit je je kennis uitbreidt. Door zelfstandig te leren wordt een mens ook steeds zelfstandiger. Vera Birkenbihl wilde eindelijk van het vervelende stampen afkomen, want wie stampt, heeft niets begrepen, ziet de verbanden en de achterliggende principes niet. ‘Hoe beter we iets hebben begrepen, des te minder moeite kost het ons om het te onthouden’, zei ze. Hierbij is het ook belangrijk dat je in de flow komt – sommigen zullen dit herkennen van het hardlopen: je loopt en loopt, voelt je heel licht en hebt het gevoel dat je eeuwig zou kunnen doorgaan. Soortgelijke gelukservaringen hebben anderen bij computerspelletjes waarin ze helemaal opgaan. Het verbazingwekkende daaraan is dat het bij leren net zo werkt! Voorwaarde daarvoor is wel dat datgene wat we willen leren ons niet boven de pet gaat noch te weinig uitdaging biedt. Als we te weinig worden uitgedaagd, vervelen we ons. Als we iets te moeilijk vinden, voelen we ons gefrustreerd. De uitdaging moet zo zijn vormgeven dat ze altijd nog te doen is.

Wist je dit?

LIn een tapijtknoperij in Mexico kijken de leerlingen eerst twee jaar toe, voordat ze zelf aan het knopen slaan. Dat deze methode werkt, is je misschien als autorijder al opgevallen: als bijrijder zonder rijbewijs heb je alleen maar door ernaast te zitten al geleerd waarop het in het verkeer aankomt, zodat je later achter het stuur niet bij nul hoefde te beginnen.

Uit de comfortzone

Daarom is het zo belangrijk om het leertempo aan elk kind afzonderlijk aan te passen, want bij iedereen ligt de grens tussen over- en onderbelasting ergens anders. Aanvankelijk begint iedereen klein: bij de basis. Pas wanneer je die onder de knie hebt, kan een volgende stap worden gezet. Hierbij helpt het om een blik te werpen in het brein, waarin zich onder andere spiegelneuronen hebben genesteld. Ze worden altijd actief op het moment dat wij anderen bij een bezigheid gadeslaan, hetzelfde zelf doen of er ook maar even aan denken. Zelfs als iemand alleen maar refereert aan een bezigheid, vuren de spiegelneuronen. Het werkzame principe van de spiegelneuronen kan goed worden vertaald naar het onderwijs: wij leren door na te doen. Maar daarvoor moeten we bij iets diverse keren hebben toegekeken. Op school betekent dat idealiter: de docent laat iets zien, laat het nog eens zien en dan nóg een keer. Als de kinderen vaak genoeg hebben toegekeken, kunnen ze langzaamaan beginnen, zelf eerste stappen te zetten, en weliswaar in slow motion. Pas als het vloeiender gaat, kan het tempo worden verhoogd. Dat geldt voor wiskundige vergelijkingen, vioolspelen of tangodansen. Tot op heden ziet dat er in de praktijk anders uit: de docent schrijft iets één keer op het bord; daarna wordt er al zelf geoefend. Geen wonder dat degenen die iets meer tijd nodig hebben om de inhoud te internaliseren, afhaken en niet meer meekomen.

miniQUADRO

Slow, slow, quick, quick

Het langzame tempo aan het begin van het leerproces is doorslaggevend. 30 zeer langzame bewegingen leveren ongeveer net zoveel op als 120 snelle. Daarom is tai-chi, een soort kungfu in slow motion, voor de spieren net zo effectief als de duidelijk dynamischere kungfu zelf. Het is ook zinvoller om aan het begin korte trainingssessies te doen in plaats van één lange. Want na elke leersessie werkt het brein nog een tijdje door. Daarnaast is het belangrijk om het geleerde niet alleen praktisch te oefenen, maar ook mentaal. Zelfs topatleten leren bewegingsverlopen door ze keer op keer in hun hoofd voor te stellen of door andere sporters bij het maken van de beweging gade te slaan – een ideale aanvulling op de eigenlijke training. Deze mentale oefeningen hebben een merkbaar positieve invloed op hun prestatie.

© eyetronic – stock.adobe.com

Vera Birkenbihl dringt erop aan om iets te gaan doen in plaats van er alleen over te praten – wat vaak in het onderwijs gebeurt. Alleen op die manier is het leerproces doeltreffend. Ze raadt de overdrijving aan als een techniek om te leren: op het eerste niveau imiteer je slechts datgene wat wordt voorgedaan, om het later te overdrijven. Want pas als iemand het wezenlijke, de kern van iets doorheeft, kan hij er een karikatuur of parodie van maken. Door bijvoorbeeld een lied, dat hij oefent, vals te zingen. Een andere effectieve leermethode is de variatie. Bij een muziekstuk voor gitaar is het goed om het ook nog eens op een blokfluit te spelen, of op de piano. Deze overbrenging naar een ander medium zorgt ervoor dat datgene wat je hebt geleerd ook beklijft.

Wist je dit?

Op kauwgom kauwen is goed voor het brein – op die manier krijgt het meer zuurstof. Dat is niet alleen optimaal voor kinderen, maar ook voor volwassenen. Al helemaal als ze weinig bewegen.

Arme taal

Hoe staat het ervoor met het leren van vreemde talen? Welnu, in Duitsland helaas nogal slecht. De bijlessen waarvan in Duitsland gebruik wordt gemaakt, betreffen met name de taalvakken, zowel Duits als ook vreemde talen. Daaruit zou je kunnen concluderen dat de leerlingen gewoonweg geen talent hebben voor talen. Als je echter naar het buurland Nederland kijk, dan ziet het er heel anders uit: daar spreken veel mensen drie of vier talen. Is men in Duitsland minder intelligent of heeft men daar geen talenknobbel? Nee, in Duitsland leert men klaarblijkelijk met de verkeerde methodes.

Het gaat effectiever met de methode van Birkenbihl: de dwarsdenker, zoals ze zelf op haar eigen website wordt genoemd (dwarsdenken is feitelijk iets door en door positiefs), ziet niet veel in het stampen van woordjes en rijtjes met vervoegingen. Ten eerste beveelt ze iets aan, wat in het taalonderwijs onoorbaar is: het woord voor woord vertalen. Dat maakt de opbouw van een taal zichtbaar. Zo leer je hoe de taal functioneert. In de video ‘Von Null Ahnung zu etwas Türkisch’ (Van geen idee naar iets Turks) legt Birkenbihl uit hoe wij gemakkelijk (en afgestemd op ons brein) onze eerste woorden Turks kunnen leren, een in principe gemakkelijke taal, omdat je daarin alles logisch kunt afleiden. Dat betekent: hier hoeft de leerling niet ontelbare uitzonderingen en afwijkingen te stampen, zoals dat bij het Duits vaak het geval is.

© nellas – stock.adobe.com

Liever geen grammatica

Aan het begin kun je het beste niet proberen om de grammatica te begrijpen. Het is beter om de onbekende uitgang eerst maar voor lief te nemen en bij het spreken gewoon te gebruiken. Als na drie maanden deze vorm is beklijfd, kunnen we altijd nog in het grammaticaboek kijken. Dan begrijp je de uitleg in het boek veel beter. Birkenbihl raadt ook aan om uitgangen niet meteen met Turkse woorden te oefenen, maar eerst alleen Duitse woorden te gebruiken en daar de Turkse uitgang achter te zetten. Eerst vervoeg je het Duitse woord met de ongebruikelijke uitgang. Op die manier hoeft de leerling niet direct met twee nieuwe bestanddelen overweg te kunnen: met het vreemde woord en de vreemde uitgang. Zodra je gewend bent aan de vervoeging, kan ook het Turkse woord een rol gaan spelen.

Ook voor de vreemde uitspraak van het Turks met zijn vele eu’s en u’s doet Birkenbihl een tip aan de hand: steeds opnieuw ‘Drie Chinezen met de contrabas’ met de eu- en u-variant te zingen om te wennen aan de opeenhoping van klinkers. Zo eenvoudig is het.

© Christian Schwier – stock.adobe.com

Meer tolerantie – ook bij fouten

Het is vooral van belang om niet bang te zijn om fouten te maken. Kleine fouten maken in de communicatie niets uit. Een moedertalige hoort toch wel datgene wat hij wil horen, en zal in zijn brein de kleine afwijkingen ‘gladstrijken’. Over het algemeen neemt de angst om fouten te maken en daarop te worden beoordeeld toe naar mate je ouder wordt. Een baby die net leert lopen, is niet bang om fouten te maken – het vallen hoort erbij. Het kind probeert op te staan, valt weer op zijn billetjes, maar geeft ondanks deze ‘fout’ niet op en probeert het opnieuw. Ontelbare wankele pogingen van vallen en opstaan zijn nodig, totdat het eindelijk kan lopen. Door deze onverschrokkenheid heeft een kind een ongelofelijk complexe handeling geleerd, waarbij de constante van de zwaartekracht, de hefboomwet en differentiaalvergelijkingen een rol spelen: het lopen op twee benen. Wie weet of wij als volwassenen onder deze voorwaarden zouden hebben durven leren lopen.

Kinderen hebben geen angst om te falen, zijn daarom ook aanzienlijk creatiever. Op school worden fouten echter niet meer getolereerd, maar juist direct gecorrigeerd – de creativiteit neem als gevolg daarvan duidelijk af. Vera Birkenbihl is er voorstander van om kinderen bij het leren helemaal niet te corrigeren. Zodoende zou je het onbewuste (eenvoudige) leerproces stoppen en het bewust maken.

Een kind moet een goede leeromgeving hebben waarin fouten niet alleen zijn toegestaan, maar waarin ook sprake is van geloof in zijn vaardigheden, zodat het zich optimaal kan ontwikkelen. Als een kind een positieve houding tegenover leren heeft, zal het ook succesvol zijn. Door middel van onderzoeken is aangetoond dat kinderen die aangaven dat ze zich graag op een bepaald gebied wilden bekwamen, tegelijkertijd beter werden op andere gebieden. Daarbij merkten ze namelijk het volgende op: als ik op een bepaald gebied beter wil worden, lukt dat met de bijbehorende oefeningen ook. Als het me op dit gebied lukt, lukt het me ook op andere gebieden. Daarom is het raadzaam om leerlingen aan te moedigen. De consequentie zou een hoger gemiddelde van alle cijfers zijn.

Ook bij dit proces spelen de spiegelneuronen een belangrijke rol, omdat ze immers gekoppeld zijn aan gevoelens. Altijd wanneer we iets negatiefs noemen, over iets mopperen, iemand bekritiseren of ervan langs geven, steken de daarbij behorende gevoelens de kop op. Daarom zou op school – of beter nog thuis al – een positieve stemming wat betreft het leren moeten heersen.

© Scott Griessel – stock.adobe.com

Dat dat werkt, wordt door het geval van Pablo Pineda Ferrer aangetoond, de eerste Europeaan met downsyndroom die een pedagogische studie heeft afgerond. Van mensen met trisomie 21 werd lang gedacht dat ze niets konden leren. Op jonge leeftijd had Pablo in het speciaal onderwijs een fantastische leraar die in hem geloofde. De positieve verwachtingen van de leraar hebben, zoals je ziet, zeker resultaat gehad.

Wat ben je als mens waard?

Maar niet alleen de verwachtingen van enkelen, maar ook de maatschappelijke structuren zijn van invloed op wat iemand bereikt – of zijn leven voorspoedig verloopt, of hij financieel kan rondkomen en, en, en. Want niet elk diploma is evenveel waard. Een arts of een advocaat geniet veel aanzien – bij een vakman is dat niet vanzelfsprekend. Sommige talenten worden meer gewaardeerd dan andere. Mensen met een ‘Hauptschulabschluss’ (vmbo-diploma) verdienen in Duitsland vaak niet genoeg geld om zorgeloos te leven. Zoals in de film ‘Alphabet’ (alfabet) van Erwin Wagenhofer aanschouwelijk wordt gemaakt, zijn sommige mensen zo gefrustreerd dat ze de stap in de criminaliteit nog helemaal niet zo’n geen gek idee vinden. Het is vaak moeilijk om weer uit die spiraal te komen. Het probleem is in Duitsland veel groter dan het op het eerste gezicht lijkt: veel werklozen met diploma’s van lager niveau komen zelfs niet bovendrijven in de werkloosheidsstatistieken, omdat ze bijvoorbeeld een zogeheten ‘1-Euro-Jobber’ zijn (vergelijkbaar met iemand met een participatiebaan).

© Anton – stock.adobe.com

Er moet een omdenken gaan plaatsvinden, zodat mensen zonder excellente diploma’s ook een zekere status hebben. Want het ontbrekende diploma of dat van een lager niveau zegt niets over het feit of je een talent hebt of niet. Bovendien is een goede schoolopleiding of een goed cijfer op het eindexamen op gymnasiumniveau geen garantie dat je na een studie geneeskunde een uitstekende chirurg wordt. Desondanks werden geslaagden met een lager gemiddelde dan een acht lange tijd niet toegelaten tot de studie geneeskunde. Daarom is het een goed idee om elk talent te stimuleren. Dat kan echter alleen als het schoolsysteem wordt veranderd: momenteel is het onderwijs erop gericht om toekomstige hoogleraren op te leiden – slechts enkelen worden dat daadwerkelijk.

Sir Ken Robinson, Brits auteur en adviseur, die talrijke internationale projecten over het onderwerp creativiteit heeft geleid, heeft het over een hiërarchie van de schoolvakken: helemaal bovenaan staat wiskunde, daarnaar komen de talen, vervolgens de kunstzinnige vakken. Hij vindt wiskunde zeker belangrijk. Maar de dans vindt hij echter net zo belangrijk. Om dit te illustreren, beschrijft hij het geval van Gillian Lynne die als leerling leed aan ADHD. Gelukkig had ze een leraar die haar talent voor het dansen ontdekte. Haar moeder stuurde haar naar een dansschool – en zo werd Gillian Lynne enkele jaren later succesvol als choreografe van de musicals ‘Cats’ en ‘Phantom of the Opera’.

© Andrey Lapshin – stock.adobe.com

Dansen, musiceren, schilderen

Ook Arno Stern, een in Duitsland geboren pedagoog, vindt dansen, musiceren en schilderen essentieel als het gaat om de ontwikkeling van kinderen. Door deze vormen van expressie groeien kinderen uit tot gelukkige mensen die grote dingen kunnen bereiken. In Parijs richtte hij de ‘Malort’ (‘schilderplek’) op, een atelier waar niet alleen kinderen, maar ook volwassenen zich met heel hun ziel en zaligheid kunnen overgeven aan het ‘Malspiel’ (‘schilderspel’): ze schilderen gewoon waar ze zin in hebben. Vanuit het oogpunt van Stern zou niet het leven serieus moeten worden genomen, maar juist het spel. Want daarbij staat het plezier en de activiteit centraal, niet het productieproces of het product van iets.

Stern exploiteert de ‘Malort’ als sinds 1949 – en hij neemt een ontwikkeling waar: vroeger waren de schilderijen fantasierijk, experimenteel en speels, tegenwoordig lijken ze in toenemende mate geconstrueerd. Kinderen schilderen niet meer spontaan; ze doen het volgens de regels van de volwassenen. Ze componeren datgene wat men ze heeft geleerd. De schilderijen van tegenwoordig stralen geen vreugde meer uit, ze doen aan als schilderijen. Het kind verliest steeds meer van zijn kind-zijn, verandert in een volwassene. Het lijkt haast alsof het bezwijkt onder de theorie en de last van datgene wat men het heeft geleerd. Het ergste volgens Stern is dat kinderen erin worden getraind om een opdracht uit te voeren. Ze worden gevormd, zodat ze voldoen aan de verwachtingen van de volwassenen. Deze kinderen moeten in het systeem passen. Het gaat er niet om ze uit te laten groeien tot mensen met een sterke wil. Maar tot mensen die ontevreden genoeg zijn met hun leven, zodat ze zich aan de consumptie overgeven.

Sterns vrouw is van mening dat een kind na de geboorte eerst echt ‘geboren’ moet worden, dat men het zich vrij moet laten ontplooien, zodat het kan uitvinden en beslissen wat het eigenlijk zou willen. Zonder het zijn kindertijd af te nemen. Als volwassenen zijn wij dit het kind schuldig.

© blacksalmon – stock.adobe.com

Waldorf is niet alleen namen dansen

Een schoolvorm die daar rekening mee houdt, bestaat al: de vrijeschool – en de antroposofische kinderopvang. Naast inhoudelijke vakken zijn kunstzinnige en ambachtelijke vakken heel belangrijk. Kinderen en tieners moeten niet alleen worden geschoold op intellectueel gebied, maar ook op creatief, kunstzinnig, praktisch en sociaal gebied. Daarom krijgen alle leerlingen het vak handvaardigheid waarin ze samen naaien, kleermaken en breien. Daarnaast krijgen ze ook het vak houtbewerken waarin gezaagd, gehamerd en gevijld wordt. Ook de vakken tuinieren en euritme, waarin taal en muziek door beweging zichtbaar worden gemaakt, vallen onder het curriculum. Het is wetenschappelijk aangetoond dat de kinderen door deze kunstzinnige werkvormen vaardigheden ontwikkelen die veel verder gaan dan dat.

Het bijzondere aan de schoolvorm is dat de leerlingen samen als klas 12 schooljaren doorlopen, zonder cijfers en dus ook zonder te blijven zitten. Op de vrijeschool gaat het er niet in hoofdzaak om kinderen voor te bereiden op de universiteit – ook het behalen van een vmbo- of havo-diploma is hier mogelijk –, maar om ervoor te zorgen dat kinderen plezier in leren krijgen. De kinderen moeten proactief worden. Niet door prestatiedruk, maar omdat ze zich vol enthousiasme interesseren voor verschillende onderwerpen. De lessen betrekken zich altijd op de leefwereld van de kinderen. Verder is van belang om wetmatigheden en verbanden in kaart te brengen. Het gaat er uiteindelijk niet om alleen kennis over te dragen, maar de gehele ontwikkeling van elk kind gedurende een bepaalde periode te begeleiden.

Een belangrijk onderdeel binnen de pedagogie van de vrijeschool is het periodeonderwijs. Dat betekent dat de leerlingen zich een tijdlang hoofdzakelijk met één vak bezighouden: ze houden zich bijvoorbeeld meerdere weken intensief bezig met onderwerpen op het gebied van wiskunde, aardrijkskunde, geschiedenis, of met een taal. Zo werken ze twee uur per dag aan een wiskundige opdracht, verkrijgen meer inzicht, totdat na drie weken aan ander vak aan de beurt is.

© Rawpixel.com – stock.adobe.com

Gezond lichaam? Gezonde geest!

Ook de ‘salutogenese’ heeft prioriteit op de vrijeschool en antroposofische kinderdagverblijven. Daarbij gaat het erom gezond te zijn en te blijven, om ziektes zelfs te voorkomen. Dit evenwicht ontstaat als lichaam en geest in harmonie zijn. Evenwicht wordt op allerlei gebieden nagestreefd: tussen activiteit en passiviteit, inspanning en ontspanning, concentratie en contemplatie. Maar ook tussen de belangen van het individu en die van anderen. Visualiserende oefeningen zijn elke ochtend een onderdeel van salutogenese, of zodra daaraan behoefte ontstaat. De leerlingen reciteren, klappen of ontspannen hun spieren en hun lichaam. Pas daarna worden ze weer intellectueel uitgedaagd.

Hoe anders de vrijeschoolpedagogiek ook mag zijn, geheel vrij en onafhankelijk van maatschappelijke beperkingen is ze niet: uiteindelijk worden de leerlingen van de vrijescholen net als hun leeftijdgenoten onderworpen aan toetsmomenten en examens die voor iedereen verplicht zijn. Daarbij moeten ze presteren als ze een bepaald diploma willen halen. Maar ze hebben tenminste op hun weg daarnaartoe de juiste instelling meegekregen en geleerd dat leren ook plezierig is.

© shock – stock.adobe.com

Op pedagogische wijze zelfredzaamheid stimuleren – Montessori

De montessorischolen en -kinderdagverblijven hebben een soortgelijk concept. Ook daar staat de afzonderlijke leerling met zijn persoonlijkheid voorop. Men gaat ervan uit dat elk kind een innerlijke werkzaamheid bezit – met sterke kanten, zwakke kanten en individuele vaardigheden. Het is de taak van de leraar om het kind te helpen om zichzelf te ontplooien, zodat deze werkzaamheid op gang komt. Het motto van het montessorionderwijs luidt dan ook: ‘Help mij het zelf te doen.’

Maar wat betekent het stimuleren van de zelfredzaamheid nu precies? De rol van de leraar, pedagogisch medewerker en daarvoor al die van de ouders is daarbij van doorslaggevende betekenis. Vanuit de visie van Montessori is het niet nodig om een kind voortdurend te vermaken. Het moet juist veel meer de mogelijkheid krijgen om zijn eigen interesses te ontdekken. De leraar biedt geen ‘programma’ aan en draagt geen kennis over, maar observeert de leerling en interpreteert zijn gedrag. Hij is beschikbaar als de leerling iets nieuws wil leren, en bereidt lesmateriaal voor. Daarbij laat hij het aan het kind over om te bepalen wat hem interesseert, moedigt hem aan bezig te blijven of iets af te maken.

Op die manier leren kinderen vanuit hun eigen motivatie, kunnen ze zich concentreren op hun talenten en behoeften, en beschikken ze over zichzelf. Ze kunnen zich in hun eigen tempo ontwikkelen en worden niet met anderen vergeleken. Daarom is het ook in dit geval niet nodig om cijfers te geven.

© natalialeb – stock.adobe.com

Een, twee of drie?

Zelfstandig handelen betekent ook dat kinderen zelf beslissingen kunnen nemen. Bij veel beslissingen die hun aangaan, worden ze betrokken – of het nu gaat om een gezamenlijk uitstapje, het lied dat je als volgende wilt zingen, of om welke foto in de klas moet hangen. Voor deze vorm van participatie krijgen de kinderen eerst uitgebreid informatie en uitleg, zodat ze zich een eigen mening kunnen vormen. Vervolgens wordt hun gevraagd om zich vrij te uiten over het onderwerp; hun mening doet ertoe.

Het moeilijke daarbij is dat kinderen desondanks niet over alles kunnen beslissen, want je hoort je aan vaste normen en waarden te houden. Beslissingen van kinderen zijn niet altijd doordacht en worden zeer spontaan genomen, omdat hun ontwikkelingsproces nog niet is afgerond. Dat is niet in elke situatie handig. Daarom moet de leerkracht hier de afweging maken in hoeverre hij of zij tegen de wil van het kind ingaat.

Als je kinderen zich vrij laat ontwikkelen, groeien ze uit tot zelfstandige en zelfredzame persoonlijkheden. Natuurlijk betekent zelfbeschikking ook dat het kind op problemen zal stuiten. Met één verschil: het kind moet met problemen leren omgaan; de problemen worden niet direct door de ouders opgelost. Zodoende leren kinderen om voor zichzelf en voor anderen naar oplossingen te zoeken, en leren met moeilijkheden om te gaan. Verder zal het ook voorkomen dat ze ergens in falen, net zoals je later in het volwassen leven in sommige situaties faalt. Daarbij doen kinderen waardevolle ervaringen op die ze verder brengt in het leven.

© Photobank – stock.adobe.com

Sterke kanten sterker maken

Binnen de montessorionderwijs ligt de focus niet op datgene wat kinderen ontbreekt, maar op het sterker maken van hun talenten en vaardigheden. De volwassenen bemoedigen en stimuleren de kinderen waardoor ze nog beter worden op de gebieden waarvoor ze aanleg hebben. Daarbij gaat het er niet om dat je kinderen zonder reden prijst. Het er gaat veel meer om dat je het kind oprecht en positief ondersteunt.

Het concept van Montessori heeft al direct effect na de geboorte. Juist in de eerste zes levensjaren is een kind ontvankelijk voor prikkels uit zijn omgeving. Behalve zijn persoonlijkheid ontwikkelen zich dan ook zijn vaardigheden. In zijn eerste levensjaren is een kind enorm leergierig.

Weg met starre regels

Maria Montessori was een van de eerste vrouwen die een doctorstitel verwierf in de geneeskunde. Aan het einde van de 19e eeuw ontwikkelde ze een nieuwe onderwijsmethode die het kind als persoonlijkheid centraal moest stellen. Ze wilde daarmee vooral breken met de traditionele onderwijsmethoden die strenge regels hanteerden bij het leren. Regels die door volwassenen waren bedacht en die weinig betrekking hadden op de behoeften van kinderen.

© fizkes – stock.adobe.com

Het concept heeft zijn vruchten afgeworpen, want er zijn veel beroemde montessorileerlingen: de twee prinsen van het Britse koningshuis, de winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur Gabriel García Márquez, de kunstenaar Friedensreich Hundertwasser en Facebook-oprichter Mark Zuckerberg. Niet alle kinderen kunnen goed met deze zelfstandigheid omgaan. Leren door eigen regie betekent ook dat je zelf zorgdraagt voor het leerproces en je de gebruikelijke consumptieve houding moet afleren. Dat kan kinderen soms onzeker maken.

Of misschien toch helemaal zonder school?

Een kind dat helemaal niet naar school werd gestuurd, is de zoon van Arno Stern. Zijn ouders gaven hem alle vrijheid om zichzelf te ontwikkelen. Hij had een gelukkige en zorgeloze kindertijd, want dingen als angst voor toetsen kende hij niet door de bijzondere manier van opgroeien. Zijn zelfvertrouwen bleef behouden, want hij werd nooit met anderen vergeleken, moest zichzelf nooit bewijzen. Zijn ouders hebben nooit van hem verlangd om iets te leren dat hem niet interesseerde; daardoor kon hij dingen nastreven die hem fascineerden. Hij heeft pas laat leren lezen. Daarover waren zijn ouders wel wat ongerust. Maar uiteindelijk kwam in hem het verlangen naar boven om die vaardigheid te leren. Hij moest het wel leren om verder te komen in het leven. Omdat hij wilde weten hoe een modelspoorbaan werkte, schroefde hij alles uit elkaar. Om meer te weten te komen, was leesvaardigheid een absolute noodzaak. Dus leerde hij zichzelf lezen.

Over het geheel genomen was het leren voor hem iets wij hij terloops deed. Hij leerde altijd als hij er zin in had. Zo oefende de geboren Fransman bijvoorbeeld onder andere zes uur per dag Duits; gewoon omdat hij het leuk vond. Tegenwoordig is André Stern een gitarenbouwer, muzikant en auteur – en spreekt hij goed Duits. Wat hem met name heeft gevormd, waren de grote vrijheid en de vaardigheid om zich voor van alles te interesseren.

© fizkes – stock.adobe.com

Wat als iets niet jong geleerd is?

Wat gebeurt er tijdens het leren nu precies in het brein? Om dit aanschouwelijk te maken, moet je beseffen dat het brein bij de geboorte al ‘af’ is. Alle hersencellen zijn al aanwezig. Wat ontbreekt, zijn de verbindingen tussen de cellen. Dat is nu precies wat er tijdens het leren gebeurt: er worden nieuwe verbindingen gelegd, nieuwe paden. Altijd als we een activiteit verrichten, worden er nieuwe paden aangelegd of worden deze verstevigd. Daarom het zo moeilijk om een andere manier van doen te leren. De reeds aanwezige paden, ofwel gewoontes, moeten door andere worden vervangen. Als we een gedeelte van ons brein niet gebruiken, omdat we een bepaalde activiteit niet meer beoefenen, worden de paden weer zwakker.

Het verbazingwekkende en tegelijkertijd belangrijke daaraan is dat het meeste in de eerste levensjaren wordt aangeleerd. Een kind leert in reuzenstappen; het doet veel kennis en vele nieuwe vaardigheden op. Daarna komt de ‘finetuning’ aan de beurt, waarbij het gaat om de details. Het brein reguleert het leerproces van kleine kinderen door ervoor te zorgen dat ze eerst gemakkelijke dingen opnemen. Vervolgens nemen ze langzamerhand complexere dingen op. Na een paar jaar wordt de snelheid van het leervermogen van het brein actief naar beneden toe bijgesteld, zodat je vanaf dat moment geleidelijk en in kleinere stappen kunt leren. Het voordeel in dit latere stadium is dat het brein vanaf dit moment in staat is om dingen goed en permanent te onthouden – dat was voorheen niet het geval.

17+ en al oud

Oudere mensen hebben nog slechts 10 procent van de snelheid van het leervermogen van kinderen. Met de aanduiding ‘oudere mensen’ wordt iedereen van 17 jaar en ouder bedoeld. Het brein van deze ‘oudere mensen’ leert weliswaar nog steeds nieuwe dingen, maar het proces is aanmerkelijk langzamer. Er zit dus een kern van waarheid in het spreekwoord ‘Jong geleerd is oud gedaan’. Volwassenen doen met name nieuwe kennis en nieuwe vaardigheden op door paden in hun brein, die al aanwezig zijn, een beetje te variëren.

Wist je dit?

Het brein van kersverse moeders ondergaat een complete verandering. Daarom zijn ze in de eerste zes weken na de bevalling geestelijk ‘een beetje instabiel’.
Maar daarna! Zodra het moederbrein is veranderd, kan het veel beter presteren dan daarvoor.

Een aanschouwelijk voorbeeld van hoe het brein werkt: als een baby 7 maanden oud is, herkent hij al algemene structuren in de taal, hij kent de eerste eenvoudige grammaticale regels. Die regels hoefde hij echter niet actief te leren; het brein had ze al terloops opgedaan. Met zes jaar beheerst het kind alle grammaticale regels, gewoon doordat het de hele tijd omgeven was door zijn moedertaal. Daarom leren jonge kinderen zonder problemen een vreemde taal. Een 70-jarige die alleen zijn moedertaal spreekt, zal er echter moeite mee hebben. Een andere persoon van dezelfde leeftijd die al vier vreemde talen spreekt, kan een nieuwe taal relatief gemakkelijk en snel leren, omdat hij gebruik kan maken van reeds aanwezige paden in het brein; daarvoor heeft hij niet zoals een baby zes jaar nodig.

© Drazen – stock.adobe.com

Paradoxale schoenendoos

Manfred Spitzer noemt ons brein een ‘paradoxale schoenendoos’: hoe meer we er op jonge leeftijd in stoppen, des te meer er op latere leeftijd ook in past.’ Daarom moeten kinderen al vroeg beginnen te leren en vooral het juiste leren. Hoe eerder je als ouders of opvoeders de ontwikkeling van het kind beïnvloedt en leerprocessen stimuleert, des te beter. Want de structuren in het brein die niet voor het zeventiende levensjaar worden aangelegd, zijn maar moeizaam te vormen. Daarom is het zo dramatisch dat kinderen in sommige landen niet naar school kunnen, omdat ze al jong financieel moeten bijdragen aan het gezin.

© sarawutnirothon – stock.adobe.com

Wist je dit?

Het is zinvol om maximaal twaalf uur voor het slapengaan te studeren. Als we datgene wat we willen leren, echt hebben begrepen, zal ons brein de noodzakelijke herhalingen zelf uitvoeren. Daarna wordt alles in de grote hersenen gesorteerd. Daarom is het juist belangrijk om in toetsweken meer te slapen. Bij slaapgebrek zal niet alles door het kortetermijngeheugen naar de grote hersenen worden getransporteerd – alle moeite van het leren was deels voor niks.

Vooral op het kinderdagverblijf, de peuterspeelzaal en de basisschool vindt de manier van leren plaats die grote gevolgen heeft op ons latere leven. Bij deze onderwijsinstellingen leggen leraren en pedagogisch medewerkers de basis voor het leven lang leren. Juist omdat opgedane kennis tegenwoordig steeds sneller verouderd, is het belangrijk om kinderen enthousiast te maken om continue te blijven leren en ze daarop voor te bereiden. Wie kan leren en leergierig blijft, komt in de huidige (arbeids-)wereld goed terecht. Maar juist deze belangrijke vaardigheid wordt op school niet overgedragen.

KDV first

Omdat het begin zo belangrijk is, moet al op de kinderdagverblijven de basis worden gelegd voor een leven lang leren. In Duitsland komt dit maar moeilijk van de grond, want pedagogisch medewerkers krijgen lager dan gemiddeld betaald. Vergeleken met een hoogleraar aan een universiteit verdient ook een basisschoolleraar aanzienlijk minder, hoewel zijn prestatie tegen deze achtergrond veel belangrijker is. Een probleem in Duitsland – in tegenstelling tot Frankrijk – is ook het feit het kinderdagverblijf niet gratis is.

Het systeem is voor verbetering vatbaar. Een bewijs daarvoor is niet in de laatste plaats het bovengenoemde feit dat relatief veel kinderen zonder diploma van school gaan.

Een vraag die vaak in het vroege ontwikkelingsstadium wordt gesteld, luidt: moet er in de eerste leerjaren gebruik worden gemaakt van digitale media? Daarop heeft neurobioloog Manfred Spitzer een duidelijk antwoord: nee. Hele kleine kinderen hebben zintuiglijke prikkels nodig: ze willen ruiken, proeven en voelen. Tablets en laptops bieden dat niet. Vingerspelletjes zijn een veel beter alternatief. Want op je vingers leer je tellen: handen hangen neurobiologisch gezien samen met getallen. In wetenschappelijke experimenten kon worden aangetoond dat het leren tellen met behulp van de vingers een niet te onderschatten invloed heeft op hoe wij als volwassenen met getallen omgaan. Daarom moeten zulke traditionele leermethodes absoluut in stand gehouden worden.

© papa – stock.adobe.com

En nu?

Je vraagt je nu vast af wat er moet gebeuren. Hoe onze kinderen op een zinvollere manier kunnen leren. Eerst moeten de onderwijsmethoden van tegenwoordig in het licht van de genoemde visies grondig worden herzien. Ze werken slechts in beperkte mate. Zodra blijkt dat iets achterhaalt of niet zinvol is, is het in ieder geval verstandig om op een andere methode over te stappen. Een stap in de goede richting zou zijn om de wedijver af te schaffen en kinderen op te leiden tot nieuwsgierige, leergierige en creatieve mensen. Tot mensen die hun interesses nastreven. Want wie datgene mag doen wat hij het beste kan, wordt er ook heel goed in. Vervolgens heeft iedereen daar wat aan.

© Jacob Lund – stock.adobe.com

Waarom hebben wij dit artikel geschreven?

Wij houden ons dagelijks bezig met wat kinderen nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen, met wat hun goeddoet en tegelijk plezier geeft. Alle opgedane kennis wordt gebruikt in onze productontwikkeling. Want om echt goed speelgoed te kunnen maken, moet je kinderen goed kennen en weten wat hun behoeften zijn. Wij denken dat we daarin heel goed slagen.

QUADRO ballenbad

Laat een reactie achter

Opmerkingen moeten worden goedgekeurd voordat ze worden gepubliceerd